woensdag 23 september 2015

Cannabis, Kief, Hasj

Onderschrift: Het was volop zaaitijd toen wij aan de andere kant van Isseguen uit het sombere bos kwamen. Overal werden de erg kleine veldjes geploegd, bemest en ingezaaid met zaad van de cannabisplant. Vaak was het te ploegen terrein zo stijl dat er geen tractoren ingezet konden worden en het zware werk door een span van paarden en muilezels gedaan werd. Terwijl ik tekende, hadden Bertje en Mohammed een gesprek met de werklieden. Vrolijke gasten die graag en trots vertelden. Ja, ze hadden tenminste werk! Het groeien en oogsten van cannabisplanten is officieel verboden. Vroeger waren de wegen zo slecht dat niemand uit Rabat kwam om te controleren wat er verbouwd werd, maar met de verbetering en verbreding van de weg sinds de komst van de nieuwe koning kwam ook de verhoogde bemoeienis vanuit de hoofdstad. In het begin werden velden voor straf nog wel afgefikt, maar de Riffijnen hadden wel voor hetere vuren gestaan en gingen gewoon door. Tegenwoordig worden ze met rust gelaten en kunnen ze zaaien wat ze willen. Het is zwaar werk, bekennen ze, maar het levert ook veel op. (31 Rifgebergte)

dinsdag 22 september 2015

De Riffijnen

We dronken uiteindelijk koffie en aten lunch in Issaguen een stadje tussen de ceders gelegen aan een T-kruising ook wel bekend onder de naam Ketama de hasjhoofdstad van Marokko. Terwijl ik een omelet soldaat maakte, tekende ik deze rokers. Één rolde een joint en een ander rookte de kiefpijp. Het zouden mijn makkers uit Arnhem kunnen zijn van 45 jaar terug, maar het waren Riffijnen. Deze dwarsgebakken bewoners van het Riffgebergte waren ooit ondernemende zeevaarders die de Atlantische oceaan trotseerden en de beruchte piraten van wat in onze streken de Barbarijse kust werd genoemd. Hun macht in eigen gebied werd vanaf de 17de eeuw betwist door koloniale grootmachten waaronder Spanje. Onze eigen Republiek heeft gedurende de 80jarige oorlog een verdrag met de Riffijnen gesloten tegen de Spanjaarden. Van 1920-26 hebben ze een felle strijd gevoerd tegen de Spaanse overheersers die steun kregen van Frankrijk. De grote held was Abdelkarim El Khattabi. Hij wist de verschillende stammen onder één vlag te verenigen. Maar de Riffijnen stonden er alleen voor. De rest van Marokko wachtte af. Tenslotte zetten de koloniale machten mosterd gas in om de weerstand te breken. El Khattabi werd verbannen. Na de onafhankelijkheid in 1956 waren de heersers in Rabat ervan overtuigd dat de Riffijnen zich wilden afscheiden. De Riffijnen kregen het zo zwaar te verduren dat ze nog twee maal in opstand kwamen: in 1958 en 1984. Gedurende de regering van koning Hassan II was de onderdrukking en achterstelling het grootst. De huidige koning lijkt milder gestemd en schijnt de Riffijnen meer te willen betrekken.(21 Rifgebergte)

maandag 21 september 2015

Omhoog het Rifgebergte in

De weg van Tetouan naar Chefchaoued in de Rif voerde in eerste instantie door de vallei van de Oued Hajera die vanaf de Jebel Kelti naar de zee bij Martil klettert. Het landschap was groen en lieflijk, met sappige groene velden omgeven door stenen muurtjes. Aan de andere kant van de Jebel Kelti boog de weg rond een stuwmeer vanwaar uit de Oued Laou naar de gelijknamige badplaats stroomt. De weg ging voortdurend omhoog. We namen de afslag naar het bergdorp Chefchaoued dat bekend is om de blauwe kleur waarin veel huizen zijn geschilderd en de wandeltochten die je van hieruit in de bergen kan maken. Na Chefchaoued veranderde het landschap. De weg werd stijl en de bochten scherper, de berghellingen waren bedekt met pijnbomen. Verdwenen waren de vruchtbare weiden en akkers. Weg waren de tekenmogelijkheden. Hier was het aanzien grimmig en duister. De hoge bergtoppen resen kaal tussen de donkere kerstbomen boven ons op. Tussen de pijnbomen stonden steeds vaker eiken: groot, oud en imposant. Alsmaar hoger ging het. De pijnbomen verdwenen. De puntige toppen van de Rif waren nu duidelijk te zien. Steeds vaker zagen we sneeuw aan de schaduwzijde van rotspartijen liggen. Ceders vermengde zich met de eiken. Tot de eiken geheel verdwenen en zelfs de ceders zeldzaam werden. We naderden de boomgrens. De weg ging niet verder omhoog, maar kronkelde des te heviger. Plotseling waren we in Bar-Berret. Het dorp lag op de rand van een diepe uitgestrekte vallei waarvan de overkant bijna in de verte verdween. Koffie? We waren er wel aan toe. Het was druk op straat. Behalve de gebruikelijk wirwar van vrachtwagens en busjes was er een enorme menigte op de been. Stapvoets baanden we ons door de mannenmenigte. Want het waren alleen maar mannen; sombere mannen, in grauwe afgedragen kleding, gezichten ingevallen, hongerig, getekend als de bergwanden van de Rif. Ze stonden zwijgend in groepjes passief bijeen. De gelatenheid en wanhoop droop van ze af. We reden door een ‘arbeidsmarkt’ waar werkeloze boerenjongens zich als dagloners aanboden. Dit was geen moment om te stoppen voor koffie. Doorrijden maar. Onderschrift: de eiken en ceders van de Rif (Rifgebergte 32 33)

zondag 20 september 2015

Mustafa met de benen van Bergkamp

Mustafa was een statige ex-gastarbeider uit Den Haag, die op zijn oude dag naar zijn geboortestreek was teruggekeerd. Hij was een ‘Faux Guide’ die ons op raketsnelheid, zonder dat we het wilden, maar te beleefd waren om af te haken, van toeristische attractie naar winkel, naar restaurant voerde. Hij was stokoud maar bewoog zich met een elegant geschuifel dat nog het meeste weg had van de bewegingen op het voetbalveld van Dennis Bergkamp. In 1960 woonden er, volgens de statistieken 3 Marokkaanse gastarbeiders in Nederland. In de twee decennia die volgden, vonden 40.000 Marokkanen hun weg naar Nederland. Nog steeds geen groot aantal. In 1976 migreerde 37% via directe werving en 43% via familie en kennissen. Ze kwamen uit alle delen van Marokko, maar voornamelijk uit het Riffgebied en de Sousstreek rond Agadir. De wervingscommissies in Nederland hadden een voorkeur voor deze wat minder ontwikkelde streken, omdat ze veronderstelden dat ‘die’ mensen niet mondig zouden zijn en dus minder eisen zouden stellen aan de Nederlandse staat. De Marokkaanse koning had ook een duidelijke voorkeur voor rekrutering uit de Riff, omdat paradoxaal genoeg de mensen daar de reputatie hadden opstandig te zijn. Volgens de Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum was het van het begin af aan duidelijk dat de Nederlander in het algemeen deze nieuwe buur of collega niet in het hart zou sluiten. De ontkenning daarvan door de overheid leidde tot blijvende onrust en wantrouwen onder zowel ‘autochtonen’ als ‘allochtonen’. (19 Tetouan)

zaterdag 19 september 2015

Tetouan een Spaanse stad

Direct bij het binnenrijden van Tetouan viel het op: dit is een Spaanse stad. De gebouwen en de lay-out van de straten getuigden er van. Als getuigenis van de historische band ligt op het immense Hassan II plein tegenover het koninklijk paleis het Spaanse consulaat. Tetouan is ook een stad van de kunsten met een heuse kunstacademie. Om de hoek van de Plaza Major is de ingang naar de Medina met in de nauwe straten een dubbele rij straatventers met kleding en huishoudelijke prullen uit Spanje. Een gestage stroom winkelend en werkend publiek vloeide moeiteloos als water tussen de uitgestalde waren. De weg bracht ons via zijwegen, Hamams, een juweliers soek, een dichtgemetselde poort, oude moskeeën, scherpe bochten, tunnels en een door vijgenbomen beschaduwd pleintje met lokaal gewoven kleden en doeken zonder te verdwalen in tien minuten naar de Riad Dalia. het huis van een Nederlandse consul in de 18de eeuw waar we logeerden. Maar je kon er natuurlijk uren over doen en je kon verdwalen en terecht komen in hele andere delen van de Medina waar de straten nog nauwer waren en de pakhuizen en winkels verborgen lagen in grote oude huizen. Maar overal waar je kwam, waren poezen. In de Riad Dalia leek sinds de 18de eeuw niet veel veranderd. Dat was ook de tijd dat er een einde kwam aan de bloei van de stad. Een lokale heerser haalde het in z’n hoofd om een pogrom tegen de Joodse bevolking uit te vaardigen en de stad is daar nooit meer van hersteld. Gelukkig is er nog kunst. Van de jonge beheerder kregen we twee lijvige volumes waarin alle levende kunstschilders uit Tetouan een pagina hadden. Het was interessant om het werk te bekijken. (20 Tetouan)

vrijdag 18 september 2015

Tetouan tussen Rif en Middellandsezee

De weg van Martil naar Tetouan ging over een natte kustvlakte waar riet en zomp afgewisseld werden met loodsen, fabrieken, vrachtwagengarages en tankstations. Prachtig! Vooral de baksteenfabrieken met hun lange, fiere, rook spuwende schoorstenen, ontroerden mij. Natuurlijk! Mijn wiegje stond aan de Waal. Tetouan had al een lange geschiedenis achter de rug voordat het vanaf 1483 een toevluchtsoord werd voor Moslims en Joden die aan de inquisitie in Spanje waren ontkomen. De 18de eeuw was ondanks onrust een periode van grote bloei waarin o.a. de Al Basha moskee en het Mechouar paleis werden gebouwd. Aan deze bloeiperiode kwam een einde met de progrom van 1790 waarna Tetouan wegzakte tot de Spanjaarden het in 1913 de hoofdstad maakte van hun kolonie. Vanaf 1956 is het de hoofdstad van de gelijknamige provincie, maar de stad is nog steeds Spaans in uiterlijk en taal tot grote vreugde van de Marokkaanse toeristen die er speciaal voor de ‘Spaanse markt’ komen. Vanaf het dak van Riad Dalia had ik een prachtig zicht op de twee delen van het Rifgebergte. Het noordelijk deel de Jebel en ver weg in het zuiden, het centrale deel. Op de tekening is de spectaculaire ligging van de stad tegen de Darsa berg afgebeeld. (17)

donderdag 17 september 2015

De Barbarijse Kust

De hele Middellandse Zeekust is in ontwikkeling als toeristische bestemming. De koning heeft dat zo gewild. Zijn vader hield niet zo van het noorden omdat de Riffijnen erg lastig waren. Hij bleef er liever weg en als de koning niet komt, komt de nering en het geld er ook niet. Maar nu is het anders. De koning heeft een paleis in Mdiq, vertelt Mohammed de Chauffeur. En daarom is er veel nieuwbouw en zijn er exclusieve ‘beachclubs’ en belommerde ‘gated communities’ en zijn er akkers vol vakantiehuisjes voor de ambtenaren en het spoorwegpersoneel. We bleven de kust volgen en kwamen via Martil uit in Oued Laoud een triest en tochtig gat waar tussen de uniforme nieuwbouw hier en daar een vissershuisje stond in de schaduw van een oude vijg. Het zand, de plastikzakjes en groepjes ontwortelde tieners waaiden rond over verlaten parkeerplaatsen. Misschien is het hier in de zomer vrolijk en levendig, maar dit was maart… We stopten om te tekenen aan een door hoge kliffen afgeschermd strand. Het was laat in de middag en de vissers maakten hun bootjes klaar voor de sardienenvangst. Dit was de beruchte Barbarijse kust waar vandaan in d’oude tijd piraten in snelle galeien met slaven aan de riemen, handelsschepen aanvielen. Hun stroperijen reikten tot over de Atlantische Oceaan. In de 17de eeuw kwamen ook een paar Hollanders zich er als zeerover vestigen. Het werd een inspiratie bron voor heel wat romantische verhalen en films vol degengevechten, blanke slavinnen en ongure Arabieren die mijn moeizame tienertijd hebben opgevrolijkt. Nu zag de kust er nogal prozaïsch uit. Aan de oppervlakte dan, want tussen de bedrijven worden hier vandaan mensen en hasj naar Spanje gesmokkeld. Ondanks het vredige uiterlijk heeft de Barbarijse kust nog niets van zijn kippenvel reputatie ingeboet. (Middellandse Zee16)